
Intro
In Zaltbommel liggen drie Joodse begraafplaatsen binnen de stadsgracht en één Joodse begraafplaats daarbuiten.
De twee oudste begraafplaatsen liggen als verborgen parels tegen de binnenkant van de middeleeuwse stadswallen aan.
Hoe komt u er?
Ga het straatje in naast het huis op Nonnenstraat 73. Dat straatje, verderop een pad, heet 'Oliemolen'.
De oudste begraafplaats: de Grafheuvel
Links van het weggetje komt op een gegeven moment het bordje ‘Heemtuin’ in beeld. Achterin de Heemtuin ziet u een heg. Naast die heg bevindt zich de ingang naar de oudste Joodse begraafplaats van de stad. Een met gras begroeide heuvel zonder grafstenen, tegen de stadsmuur aan.
De één na oudste begraafplaats: Oliemolen
Ga nu terug naar het pad in de richting van Nonnenstraat 73. Aan de linkerkant staat naast een vrijstaand vrij nieuw huis een muur met een poort. Achter die muur ligt de op één na oudste Joodse begraafplaats van Zaltbommel. Op een grasveld tegen de stadsmuur staan en liggen nog negen grafstenen of fragmenten daarvan.
Op beide begraafplaatsen moeten tussen 1748 en 1830 zo’n 160 Joodse overledenen uit Zaltbommel en omstreken zijn begraven. Verreweg de meesten liggen in naamloze graven.
Meer weten over de twee oudste Joodse begraafplaatsen? Klik dan op de opties hieronder.
De derde en jongste Joodse begraafplaats binnen de stadswallen bevindt zich aan het einde van de Boschstraat. Hier stond vroeger een stadspoort. Achter het beeld van Sint-Maarten komt u door een fraai toegangshek op de ‘Algemene Begraafplaats Bossche Poort’. Vervolgens ligt meteen links van de ingang het gedeelte dat voor Joodse graven was bestemd. U kunt hier een kijkje nemen.
Dan is er nog een vierde Joodse begraafplaats, die in 1901 werd aangelegd aan de buitenzijde van de stadsgracht en singel. Deze begraafplaats aan de Marten van Rossemsingel wordt nog steeds gebruikt, al is het sporadisch. Hij is niet vrij toegankelijk.
Terug naar de overzichtskaart
Luister
Luister naar een geluidsfragment met uitleg over de Joodse begraafplaatsen
Begraafplaatsen bij de Heemtuin
In Zaltbommel liggen twee Joodse begraafplaatsen in de buurt van de Heemtuin, toegankelijk via een pad naast het pand Nonnenstraat 73. Het heet hier officieel 'Oliemolen', iets verderop ‘Omhoeken’.
- Vlak voor de oude stadsmuur is links van het pad is de ingang naar de Heemtuin. Loop de heemtuin in, en al spoedig komt een heg met daarin de ingang naar de oudste Joodse begraafplaats van de stad in het zicht.
- Rechts van het pad naast Nonnenstraat 73 staat in de bocht een vrijstaand vrij nieuw huis, met links daarvan een muur met poort. Achter de muur ligt de op één na oudste Joodse begraafplaats van Zaltbommel.
Begraafplaats bij de Bossche Poort
De derde Joodse begraafplaats binnen de stadswallen ligt aan het einde van de Boschstraat. Hier stond vroeger de ‘Bossche Poort’. (zie ook Begraafplaats Bossche Poort) Vanaf het pad tussen de twee oudere begraafplaatsen in staat u in ongeveer 5 minuten bij de begraafplaats bij de Bossche Poort. U loopt eerst het brugje boven de oude stadsgracht over en dan meteen linksaf het stadspark in. Een mooie wandeling onder de bomen.
Begraafplaats Marten van Rossemsingel
Deze is niet vrij toegankelijk.
Begraafplaatsen
De Joodse begraafplaatsen in Zaltbommel
Zaltbommel telt binnen de vroegere stadswallen maar liefst drie Joodse begraafplaatsen: de zogenaamde 'grafheuvel' en de begraafplaats bij de Oliemolen dichtbij de middeleeuwse stadsmuur, en een gedeelte van de begraafplaats bij de voormalige Bossche Poort aan het begin van de Boschstraat. Juist buiten de stadswallen ligt de nog in gebruik zijnde Joodse begraafplaats aan de Marten van Rossemsingel. Deze is niet vrij toegankelijk en daarom niet in de wandeling opgenomen.
Eeuwige grafrust
Op een Joodse begraafplaats heerst eeuwige grafrust. Dat wil zeggen dat Joodse graven volgens strenge voorschriften intact moeten blijven. Geloofd wordt immers dat bij de komst van de Messias de doden zullen herrijzen uit hun graven. Ruimen is dus geen optie, hoogstens kunnen Joodse graven worden verplaatst. Joodse begraafplaatsen zijn meestal te vinden buiten de bebouwde kom. In Zaltbommel was dat in de buurt van de boomrijke stadswallen. De begraafplaatsen zelf mogen niet worden beplant.
1. De 'grafheuvel'
De oudste Joodse begraafplaats van de stad is de zogenaamde ‘grafheuvel’, nu een met een heg afgescheiden terrein, met aan één kant de oude stadsmuur. Een kleine steen met het opschrift ‘Joodse Begraafplaats’ geeft aan waar de ingang is. Samen met de heemtuin ernaast is het hier een van de mooiste plekjes van Zaltbommel.
Op 23 mei 1748 kreeg de Bommelse Jood Levi Hartog van het stadsbestuur van Zaltbommel toestemming om in een boomgaard bij de oude stadsmuur een ‘kerkhof’ aan te leggen. Op dit kleine stukje grond zijn tussen 1748 en 1785 zo’n vijftig Joden uit Zaltbommel en wijde omgeving begraven. Zelfs vanuit ’s-Hertogenbosch werden overledenen hier naartoe gebracht. Voor iedere bijzetting betaalden de nabestaanden een vast bedrag aan het weeshuis.
Er was te weinig ruimte om alle graven in de grond van de voormalige boomgaard uit te graven. De begraafplaats is daarom in meerdere etages aangelegd in een aarden heuvel. Op de heuvel staan of liggen al heel lang geen graftekens. Mogelijk zijn die er ooit wel geweest.
De grond van deze begraafplaats was eigendom van het weeshuis, maar tussen 1818 en 1830 moet de Joodse gemeente van Zaltbommel eigenaar zijn geworden.

De zogenaamde 'grafheuvel'. Collectie Mikwe
Grafrust op de ‘grafheuvel’
In februari 1818 had het stadsbestuur van Zaltbommel een begin gemaakt met het afgraven van ‘de grafheuvel’, de oudste Joodse begraafplaats. Het stadsbestuur redeneerde dat er al in geen dertig of veertig jaar meer iemand was begraven. En dat dus ook al dertig of veertig jaar lang geen grafrechten meer waren betaald aan het weeshuis, de eigenaar van de grond.
Het terrein kon goed worden gebruikt als locatie van de mesthoop van de naastgelegen militaire paardenstal. Iedere particulier, en zeker de soldaten die hier kwamen, konden bij botten die van de nabij gelegen Joodse graven afkomstig waren. Met andere woorden, de Joodse gemeente tilde kennelijk zelf niet zo zwaar aan de grafrust, zo vond het stadsbestuur.
De actie van het stadsbestuur leidde tot grote onrust binnen de Joodse gemeente van Zaltbommel, die onmiddellijk stappen ondernam. De gouverneur van de provincie Gelderland zorgde er een paar maanden later voor dat de heuvel met rust is gelaten.
2. De begraafplaats bij de Oliemolen
De begraafplaats bij de Oliemolen ligt achter een hoge muur met toegangspoort, die niet zo soepel opengaat. Vooral in het voorjaar is het hier een bloemrijk graslandje, met overal sneeuwklokjes.
Omdat de ‘grafheuvel’ in 1785 vol was, werd deze begraafplaats ingericht, eveneens door Levi Hartog. Dat gebeurde opnieuw in een stuk voormalige boomgaard van het weeshuis. Een veel groter terrein deze keer, even ten westen van de ‘grafheuvel’ en ook weer tegen de stadsmuur aan. Naast de begraafplaats stond in die tijd de zogenaamde ‘kleine molen’, een oliemolen. Vandaar de aanduiding ‘begraafplaats aan of bij de Oliemolen’.
Om de begraafplaats heen werd een muur gemetseld van acht voet, d.i. ruim 2.40 m, hoog, met een toegangspoort. Er zou ook een metaheerhuisje worden gebouwd ten behoeve van de rituele lijkwassing. Boven de later vernieuwde poort is een oude gedenksteen te zien, die waarschijnlijk verwijst naar de officiële ingebruikname van de begraafplaats op 17 april 1787.

Begraafplaats bij de Oliemolen.
Foto E. Können
Het eerste graf dat hier werd gedolven is dat van Marianne Hartog, de vrouw van Levi Hartog, overleden in 1786. Haar grafsteen is er nog, naast die van haar man, overleden in 1794. (lees ook het stuk over de familie Hartog, Kerkstraat)
Er staan in totaal negen stenen, of de restanten daarvan, op acht graven. De andere graven hebben geen graftekens, of graftekens meer, en zijn niet als graven te herkennen. Ook van deze begraafplaats is de Joodse gemeente van Zaltbommel tussen 1818 en 1830 eigenaar geworden.
Het jaartal 1830 is meteen ook het jaar waarin de begravingen bij de Oliemolen ophielden. In dat jaar werd een afdeling van de begraafplaats bij de Bossche Poort als Joodse begraafplaats in gebruik genomen.
De grafstenen van Levi en Marianne Hartog op de begraafplaats bij de Oliemolen.
Foto E. Können.
3. De begraafplaats bij de Bossche Poort
Dankzij de wetten die Napoleon tijdens zijn bewind uitvaardigde, zijn de begrafenispraktijken vanaf 1810 drastisch veranderd. Er mocht om hygiënische redenen niet meer binnen kerkgebouwen worden begraven en ook niet binnen de stadswallen. Dat sloot aardig aan op de ideeën van Joden over hun begraafplaatsen. Vanwege de associatie met dode lichamen worden deze als ‘onrein’ gezien en daarom op afstand geplaatst. In Zaltbommel zijn de Joodse begraafplaatsen aan de uiterste rand van de toenmalige stad aangelegd, dicht tegen de stadswallen aan.
De Bommelse Joden konden het zodoende een tijd volhouden met de bestaande begraafplaats aan de Oliemolen. In 1830 dan toch werd de nieuwe Joodse begraafplaats bij de Bossche Poort in gebruik genomen.
Een vak op de Algemene Begraafplaats
Er was voor de Joodse graven een hoek vrijgehouden aan de zuidoostzijde van de algemene begraafplaats die in 1810 werd ingericht op het vlakke deel binnenin het bastion bij de Bossche Poort. Hier waren al afdelingen in gebruik voor katholieke en protestantse overledenen binnen de stad. Met heiningen werden de grenzen tussen de afdelingen aangegeven.
Het Joodse deel van de begraafplaats bij de Bossche Poort was tot voor enkele jaren eigendom van de gemeente Zaltbommel. Nu is het van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, de opvolger van de Joodse gemeente Zaltbommel die in 1947 werd opgeheven.

Gezicht op het Joodse gedeelte van de begraafplaats bij de Bossche Poort in Zaltbommel.
Collectie Mikwe
De begraafplaats delen met andere partijen was niet altijd gemakkelijk. Door hun afwijkende begrafenisgewoonten kwamen de Joden regelmatig in botsing met doodgravers, opzichters en het stadsbestuur.
Het was dan ook een hele vooruitgang toen de Joodse gemeenschap in 1901 aan de Marten van Rossemsingel een eigen begraafplaats in gebruik kon nemen, net buiten de voormalige bolwerken van de stad.

Zerken op begraafplaats Bossche Poort, met in het midden de bijzondere gietijzeren ‘steen’ van Sara Enthoven. Op de zerk daarnaast is een ramshoorn (‘sjofar’) afgebeeld.
Collectie Mikwe
Begraafplaatsen tijdens WOII
De begraafplaatsen tijdens de Tweede Wereldoorlog
De Joodse gemeente van Zaltbommel was bij het uitbreken van de oorlog eigenaar van de synagoge inclusief mikwe en het naastgelegen schooltje. Verder had de Joodse gemeente drie begraafplaatsen in eigendom: de twee oude dodenakkers bij de stadsmuur die al lang niet meer werden gebruikt en de nieuwe begraafplaats aan de Marten van Rossemsingel.
In sommige Nederlandse gemeenten werden Joodse begraafplaatsen tijdens de oorlog afgegraven en de grafstenen verwijderd, waarna de platgewalste terreinen onder straten of gebouwen verdwenen. In Zaltbommel is zoiets niet gebeurd.
Dreigende confiscatie
Begin november 1943 kreeg de gemeente Zaltbommel een officiële brief waarin werd geïnformeerd of men belangstelling had voor de onroerende goederen van de Joodse gemeente Zaltbommel, onder andere de begraafplaatsen. Die goederen had de Joodse gemeente in 1941 moeten aangeven bij de Duitsgezinde autoriteiten. De volgende stap zou zijn dat ze werden geconfisqueerd en naar andere partijen zouden gaan.
Uitkomst
Waarnemend burgemeester Rutgers liet weten dat de gemeente Zalbommel géén interesse had. Begin januari 1944 werd een nieuwe poging gedaan. Het voorstel was dat de gemeente Zaltbommel gratis en voor niets de Joodse begraafplaatsen binnen de gemeente zou overnemen, en de synagoge tegen de grondwaarde. Dat moest alleen eerst nog wel formeel worden geregeld door de provincie Gelderland.
NSB-burgemeester Boll van Zaltbommel reageerde positief en stuurde een overzicht van de onroerende goederen van de Joodse gemeente. Vervolgens liet de provincie het erbij zitten, werden de inwoners van Zaltbommel in september 1944 geëvacueerd en vertrok Boll naar de Achterhoek.
De hele onderneming liep op niets uit. Na de bevrijding was de Joodse gemeente nog steeds eigenaar.

