Intro
Hier komt een kort geluidsfragment dat je kunt beluisteren als je op locatie bent.
Voorbeeld:
Terug naar de overzichtskaart
Luister
In deze geluidsopname vertellen we het verhaal van de Waterstraat en het voormalige Hotel Gottschalk.
Over deze locatie
Hotel Gottschalk
Heel lang was Hotel Gottschalk een begrip in Zaltbommel. Hier werd niet alleen overnacht, door sommige mensen zelfs gewoond, maar er kon ook worden gedineerd en vergaderd, er werden veilingen gehouden, demonstraties gegeven, enzovoorts. Een middelpunt van het stadsleven, gevestigd in een straat waar in de loop van de eeuwen meerdere Joodse gezinnen hun huizen en zaken hadden.
Het hotel werd tijdens de oorlog een toevluchtsoord van een groep Joodse onderduikers. Een aantal van hen is die onderduik fataal geworden. Ook de hotelhouder en onderduikgever Van de Laak en een passant uit Zuilichem moesten deze met hun leven bekopen.
Hotel Gottschalk is genoemd naar de grondlegger, de Duitser Johan Caspar Gottschalk, ‘ex-directeur de la musique’ van het 126ste regiment infanterie van het Franse leger. Hij trouwde in 1821 met een meisje uit Druten. De vroegere dirigent werd kastelein in een logement in de Waterstraat, het begin van ‘Hotel Gottschalk’. Gezien zijn achternaam wordt wel eens gedacht dat deze Gottschalk Joods was, maar dat is niet waarschijnlijk. De familie was katholiek. Gottschalks nazaten vergrootten het logement met buurpanden en noemden het ‘hotel’. In 1921 werd Hotel Gottschalk verkocht aan de voormalige ‘koffiehuisbediende’ Hendrik van de Laak uit Esch.

Hotel Gottschalk circa 1940.
Collectie Stadskasteel Zaltbommel
In het hotel hebben vanaf augustus 1942 in totaal elf Joden ondergedoken gezeten, onder wie zes leden van de gezinnen Hes en Van Dijk uit Zaltbommel. Verscholen achter de gordijntjes van zijn onderduikverblijf moest Arnold Hes toezien hoe mensen van wie hij dat nooit zou hebben gedacht spullen meenamen uit zijn pand tegenover het hotel en uit dat van Ies van Dijk, iets verderop.
Het was een verwarrende situatie. De onderduikers zaten boven de groenten schoon te maken die Duitse officieren even later beneden voorgezet kregen, klaargemaakt door een kok die in het verzet zat. Upstairs downstairs, maar dan andersom. Een stel onderduiksters maakte overdag met een schort voor hotelkamers aan kant, de mannen deden klusjes. Alles om bezig te blijven, en waarschijnlijk ook als betaling in natura. In het hotel liepen allerlei mensen in en uit, onder wie Duitse soldaten en NSB’ers. Niemand zou vermoeden dat hier ook onderduikers zaten, zo was de gedachte.
Die gedurfde regeling ging lang goed, tót de Duitsers op 8 juli 1944 een inval deden in Hotel Gottschalk. Waarom precies is onduidelijk. Van de Laak werd doodgeschoten, evenals een Joodse die in het hotel werkte en een passerende fietser. Drie onderduiksters uit Amsterdam zijn afgevoerd en vermoord in Auschwitz. De rest wist zich verborgen te houden en kon ontsnappen. Zij overleefden de oorlog.
Eén onderduiker, de kleermaker Salomon Abrahamson uit Amsterdam, was al eerder aan ziekte overleden en onder de vloer van de eetzaal begraven.
De onderduik in het hotel was geen liefdadigheid. De onderduikers betaalden een forse vergoeding. In 1944 gaf vader Van Dijk per persoon tien gulden per dag uit aan pensiongeld. Hij was in 1942 begonnen met f 7,50 per persoon per dag. Joden zonder geld hadden veel minder kansen onder te duiken, dat was de harde realiteit.
Na de overval werd Hotel Gottschalk gepacht door een NSB’er. Toen heel Zaltbommel in september 1944 geëvacueerd was, werd het hotel een soort huiskamer voor de achterblijvers. Duitse militairen, ambtenaren, politiemensen en onduidelijke types kwamen naar de centrale keuken die hier was ingericht. Zij aten de voorraden op die waren weggehaald uit de huizen en pakhuizen van geëvacueerde Bommelaren.
De NSB-burgemeester Boll liet zich ook niet onbetuigd. Hij was dan wel naar de Achterhoek gevlucht in september 1944, zoals veel NSB’ers, maar had toch kans gezien schilderijen, kristal, tafellinnen en andere goederen uit het hotel naar zijn huis mee te nemen. Zogenaamd in veiligheid gebracht voor de Duitsers.
Over de mensen
In dit geluidsfragment verteld Donald Hes het verhaal van de onderduikperiode van zijn opa Arnold Hes en zijn vader Alex Hes.
De lange onderduikperiode
Mijn grootvader Arnold Hes kreeg rond 10 augustus 1942 door dat hij en zijn gezin snel ‘op reis’ zouden moeten. Dat moment wachtte hij niet af. Hij en mijn grootmoeder doken onder in Hotel Gottschalk dat tegenover hun pand staat. De zus en broer van mijn vader, Edith en Jacky, werden in Haaften en in Zeist op onderduikadressen ondergebracht, en mijn vader had voor zichzelf een adresje in Heusden geregeld. Daar heeft hij anderhalve dag gezeten, toen keerde hij weer naar Zaltbommel terug. Hij voelde zich er niet veilig.
Zoals afgesproken ging ook hij naar het hotel, waar hij tot zijn verrassing vader en moeder Van Dijk met hun zoon Bob zag, neef en vriend van mijn vader. Die waren hier iets eerder ondergedoken dan mijn opa en oma Hes.
Op elkaars lip
Geleidelijk aan kwamen er eind 1942 meer familieleden bij, vooral van de familie Van Dijk. De meesten uit Amsterdam. In totaal waren er elf Joodse onderduikers en één Joods meisje, Mietje, of Mary, Wolff, dat onder een valse naam openlijk in het hotel werkte.
In het begin zaten de onderduikers overdag in twee kamers naast elkaar op de eerste verdieping aan de kant van de Waterstraat, ’s avonds sliepen ze boven op zolder. Er waren twee zolders, want het hotel bestond uit twee huizen naast elkaar. Later zijn de onderduikers verhuisd naar ruimten aan de achterkant van het hotel, waar ze gemakkelijker konden wegkomen.
Na de komst van de Amsterdamse Joden zijn Bob en mijn vader in januari 1943 naar een onderduikadres in Hurwenen gegaan. In april 1943 kwamen ze weer terug naar Hotel Gottschalk. Het eten was in Hurwenen zo goed, dat mijn vader volgens Bob van Dijk flink was aangekomen. Niet handig, want de jongens moesten door een gat in de muur naar hun slaapplaats. Alex kwam daarbij letterlijk muurvast te zitten ...
Via het dak kwamen de onderduikers in de dakgoot, voor wat frisse lucht of een partij schaken. Dat was wel nodig ook, want het leven op elkaars lip was niet gemakkelijk. Vader Hes, mijn grootvader dus, en vader Van Dijk, waren ‘tamelijk hanige mannen’, volgens Bob van Dijk.
En het duurde ook allemaal zo lang.
De drie ondergedoken vrouwen uit Amsterdam die de hotelkamers bijhielden, hadden wat meer bewegingsruimte dan de anderen. Ze werden toch niet herkend in Zaltbommel. Bij de inval in het hotel in juli 1944 is ze dat fataal geworden omdat ze niet op tijd de schuilplaats onder de vloer van een badkamer konden bereiken.
De onderduikers werden al die tijd geholpen door verzetsmensen, die het hotel ook gebruikten om er bijv. Engelse piloten tijdelijk onder te brengen.
Het viel toch op
Nogal wat mensen wisten dat hier Joodse onderduikers waren. Bob van Dijk dacht wel een paar honderd mensen. Bommelse NSB’ers, onder wie burgemeester Boll, vertelden na de oorlog dat ook zij ervan wisten, maar hun mond hadden gehouden.
De dans ontsprongen
Uiteindelijk is het nog lang goed gegaan. Degenen die tijdens de inval van de achtste juli 1944 niet werden ontdekt in hun schuilplaats, kwamen na anderhalf etmaal voor de dag. Ze vonden na veel tussenstops goede onderduikadressen buiten Zaltbommel. ‘Tante Hethe’, een zuster van mijn grootmoeder, is op station Zaltbommel in haar eentje op de trein naar Utrecht gestapt, waarna ze in Zeist onderdook.
Mijn vader en zijn neef Bob werden uiteindelijk ondergebracht in het boerderijtje van de familie Kézér in Loosbroek, in Brabant. Ze zagen daar parachutisten landen bij de operatie Market Garden in september 1944. Ze maakten de bevrijding van Noord-Brabant mee en kregen zelf ook hun vrijheid terug. Nederland ten zuiden van de Maas was een half jaar eerder van de Duitsers verlost dan de rest van het land.
Mijn vader trok als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten op 8 mei 1945 Zaltbommel binnen, samen met Geallieerde troepen. Het was een vreemde ervaring, want er liepen nog gewoon gewapende Duitsers rond in de stad.

Alex Hes en Bob van Dijk met Hester Hes-van Leeuwen.
RAR
Het persoonsbewijs van Salomon Abrahamson GROOT lettertype van maken, is een cat. 3 tekst.
Tijdens de verbouwing van Hotel Gottschalk, dat nu ‘Heeren van Bommel’ heet, werd verstopt achter een balk een bundeltje documenten teruggevonden. Ze waren van Salomon (‘Sallie’) Abrahamson, een Amsterdamse kleermaker die samen met zijn vrouw Marianne in de herfst van 1942 onderdook in Hotel Gottschalk. Daar was de zus van meneer Abrahamson al ondergedoken, Sara, de vrouw van Ies van Dijk, moeder van Bob van Dijk, ook hier als onderduiker aanwezig, samen met een aantal anderen.
Lijden en overlijden
Abrahamson was niet gezond. Hij leed enorme pijnen vanwege een drievoudige breuk in de buikwand. De diagnose staat op een doktersbriefje dat ook bij de papieren zat, samen met de mededeling van de chirurg, gedateerd 16 september 1942, dat een operatie dringend gewenst was. De opname van Abrahamson in de ‘Centraal Israëlitische Ziekenverpleging’ was al aangevraagd. Dat was een Joods ziekenhuis in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam.
‘Ome Sallie’ werd echter niet geopereerd, hij dook onder. Hij stierf op 8 februari 1943 in Hotel Gottschalk. Zijn lichaam werd in het geheim onder de vloer van de eetzaal begraven. Na de overval in Hotel Gottschalk is het stoffelijk overschot opgegraven en als anonieme persoon op de begraafplaats bij de Bossche Poort ter aarde besteld. Dat graf is naderhand niet meer teruggevonden. Daarom is aan de rand van het Joodse gedeelte van de begraafplaats Bossche Poort een eenvoudig houten gedenkteken geplaatst.
TOEVOEGEN
Afb.
Het gedenkteken voor Salomon Abrahamson op de begraafplaats Bossche Poort.
Collectie Mikwe
Een kapitale ‘J’
Op het persoonsbewijs van Salomon Abrahamson staat een grote ‘J’, de J van ‘Jood’. Een stempel vermeldt dat Abrahamson tot nader order was vrijgesteld van gedwongen arbeid, de ‘Arbeisteinsatz’, gedateerd 2 oktober 1942. Dat was vanwege zijn werk in de confectie-industrie. Het was Abrahamson sinds 1941 verboden als zelfstandig kleermaker te werken.

Het persoonsbewijs van Salomon Abrahamson.
Collectie Mikwe
Kijk op de grond
In 2012 werden de allereerste Stolpersteine van Zaltbommel geplaatst bij het voormalige Hotel Gottschalk, ter nagedachtenis aan Mietje Wolff, Hendrikus van de Laak, Catharina Bonte, Jetta Bonte en Marianne Abrahamson, de vrouw van de aan ziekte overleden Salomon Abrahamson.
De ceremonie werd geleid door Alex Hes, die zijn indrukwekkende getuigenis deelde over de onderduik in het hotel.
Zijn verhaal is online te beluisteren via YouTube.
Kostschool in de Waterstraat?
Er was nog een ander pand in de Waterstraat waar mensen logeerden, namelijk een kostschooltje, zie LINK... verhaal over de kostschool.
Een kostschooltje in de Waterstraat
Lees of luister naar het verhaal.
Een aantal huizen verwijderd van Hotel Gottschalk [link naar Hotel Gottschalk] werd ook logies tegen betaling aangeboden, en wel aan Joodse scholieren.
Dat kwam zo:
In 1845 vroeg de Joodse gemeente van Zaltbommel toestemming voor het oprichten van een ‘Israëlitische school’ in de stad. Een school waar ‘burgerlijk onderwijs’ en religieus onderwijs zouden worden gegeven. Er was al een onderwijzer gevonden: een zekere Hartog Frankfort uit Deventer. Die wachtte de toestemming van de gemeente niet af. Frankfort stond in 1845 al voor een klas van zo’n 40 kinderen. Prompt werd hij teruggefloten door het gemeentebestuur. In juli 1846 dan toch kon het Joodse schooltje van start mét vergunning.
Onderwijs en brood
Hartog Frankfort kwam uit een echte onderwijzersfamilie. Zijn vader Joël Joseph Frankfort was godsdienstonderwijzer in (o.a.) Deventer en Arnhem, zusje Eva was huisonderwijzeres in Deventer, en er was ook nog een zwager die voor de klas stond. Een ander beroep dat in de familie zat was dat van bakker. Drie broers en een zwager van Hartog Frankfort waren bakker.
In Zaltbommel kwamen brood en onderwijs samen in één pand. Broer Meijer Frankfort had zijn woning en bakkerij in de Waterstraat van Zaltbommel. Daar was ook de woning van Hartog Frankort in ondergebracht. Nu is dat het huis met het adres Waterstraat 3. Het Stadscafé is hier gevestigd.
Hartog Frankfort was een uitstekende onderwijzer, maar rijk werd hij er niet van. Als getrouwd man met een gezin - hij trouwde in 1851- kon hij extra inkomsten goed gebruiken.
Inwonende leerlingen
En zo ontstond het idee een kostschooltje te beginnen. Frankfort vond invloedrijke personen die hem wel wilden aanbevelen, en plaatste in 1856 een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
Volgens die advertentie zat de ‘Israëlitische Kostschool’ op een toplocatie. Een gezonde plaats, met frisse lucht vanaf de Waal. De lesstof woei als het ware zo de hoofden van de pupillen in.
Vermoedelijk was de term kostschool wel wat erg hoog gegrepen. Het ging om een klein clubje leerlingen die bij de onderwijzer en zijn gezin inwoonden. Ze zullen overdag naar de gewone Joodse school zijn gegaan waar Frankfort les gaf. Buiten de schooltijden moet hij ze bij hem thuis extra hebben bijgespijkerd.
En dat allemaal in de verse broodgeuren van de bakkerij van zijn broer.
Advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 29 november 1856.
Via de site Delpher


